Balanceren op het touw van de duivel: Prikkeldraad Vegetatie (2021)

Al sinds de begindagen van de landbouw proberen boeren hun akkers en vee te beschermen tegen ongewenste bezoekers van buiten. Een hongerig roofdier of een op hol geslagen kudde kan maanden hard werk teniet doen, met mogelijk hongersnood tot gevolg. Koeien en schapen werden daarom ’s nachts samengedreven in de dorpen, of beschermd in veekralen en schaapskooien. De gewassen werden afhankelijk van het terrein beschermd door muurtjes van gestapelde keien, greppels met water of hagen van doornige struiken. De omheiningen vervulden daarbij vaak meerdere functies tegelijk: kostbaar bezit binnenhouden, ongenode gasten weren, territorium afbakenen. Daarnaast hebben dergelijke omheiningen een directe invloed op de planten en dieren in hun omgeving: De muurtjes en hagen beschermen opkomende gewassen tegen koude wind in het voorjaar, de stekelige hagen vormen schuilplaatsen voor vogels en insecten, amfibieën warmen zich op de muur in de zon en de slootranden bieden een voedingsbodem voor veel plantensoorten. Een dergelijke afscheiding is altijd meer dan alleen een grenslijn, de lijn zelf is ook een leefgebied. Een groen netwerk van plant, rots en water dat zich als een fijnmazig labyrinth door het agrarische landschap vertakt.

 

In de afgelopen 150 jaar zijn de traditionele hagen, muren en sloten grotendeels vervangen door prikkeldraad. Het is met een jaarlijkse wereldproductie van acht miljoen kilometer, tweehonderd keer de omtrek van de aarde, nog altijd het meest gebruikte materiaal voor afscheidingen. Voor de aspirant-boeren die in de 19de eeuw naar de Amerikaanse Mid-West trokken was de uitvinding van prikkeldraad een godsgeschenk. Hout of stenen voor natuurlijke afrasteringen waren er nauwelijks, en voor het opkweken van een stevige haag was geen tijd. Gewassen en vee, noodzakelijk om de volgende winter te overleven, moesten meteen beschermd worden. Joseph Glidden, de Amerikaanse boer die in 1873 het prikkeldraad ontwikkelde met behulp van een oude koffiemolen en de haarspelden van zijn vrouw, ontving nog jarenlang dankbrieven van boeren uit de hele VS. Dankzij zijn uitvinding hadden ze de stap westwaarts durven wagen, zijn stekelige draad had houvast geboden in het onzekere kolonistenbestaan. De nomadische inheemse volkeren en de kolonisten die zich als veehoeders hadden gevestigd in de MidWest werden door het oprukkende prikkeldraad juist in hun bestaan bedreigt. Ieder jaar werd er meer van hun leefgebied ingepalmd door het ‘touw van de duivel’.

 

Waar de hagen, muren en sloten een karakteristiek onderdeel zijn geworden van het cultuurlandschap, blijft prikkeldraad vaak onzichtbaar. Ondanks het afschrikwekkende uiterlijk en de associaties met oorlog en geweld, is prikkeldraad onopvallend: We kijken naar weien en velden, niet naar de draad die ze mogelijk heeft gemaakt. Zoals zo vaak bieden onze blinde vlekken kansen aan de natuur. De grenslijn is dunner geworden, maar nog steeds een leefgebied. Koeien en paarden bijten de vegetatie onder de draad kort af, maar zullen met de rest van hun lichaam nauwelijks in de buurt van de draad komen. Zo komen er nauwelijks uitwerpselen in de buurt van de prikkeldraad terecht, waardoor de bodem arm blijft aan voedingsstoffen. Doordat de grond onder de draad niet wordt platgetrapt en ook niet inklinkt onder het gewicht van zware maaimachines, komt de bodem in de loop van de tijd hoger te liggen dan de omgeving. Een microreliëf, dat een toevluchtsoord vormt voor mieren, die met hun nesten de bodem nog meer ophogen. De luchtige, voedselarme bodem vormt de perfecte condities voor schrale vegetaties: een afspiegeling van de oorspronkelijke plantensoorten die ooit in het weiland voortkwamen en daarmee een biotoop voor insecten en dieren.

 

De vijftien meter prikkeldraad die Stefan Cools en Sandra van den Beuken hier midden in het veld plaatsten is op het eerste gezicht zonder functie. Geen weide wordt hier afgebakend, geen pad wordt hier geblokkeerd, geen indringer buiten gehouden. Is het nog wel prikkeldraad? Prikkeldraad wordt hier, misschien wel voor het eerst, bewust ingezet als landschapselement ter ondersteuning van plant en dier. De draad transformeert van ‘onzichtbare’ versperring in een ecologische readymade, een gedaanteverwisseling van alledaags gebruiksvoorwerp naar betekenisdrager en biotoop. Deze draad toont ons hoe planten en dieren weten te overleven op smalle gebieden die we in onze kolonisatiedrang vergaten te claimen, namelijk de grenslijn zelf. Het prikkelt de gedachte naar welke rol het verfoeide prikkeldraad zou kunnen spelen in het herstel van onze band met de natuur: de natuur meer ruimte geven betekent onvermijdelijk ook meer grenzen stellen aan ons zelf. Waar gaan we die grenzen dan leggen? In plaats van afschrikken en inperken zal deze draad activeren en stimuleren, ze maakt nieuw leven mogelijk. 

 

JOEP VOSSEBELD